Koning van mezelf

Koning van mezelf

Er was eens een heel rijke koning. Hij woonde in een groot kasteel, met hoge torens en water erom heen. Van binnen schitterde alles van goud en zilver.

Hij had een schatkamer vol met gouden kronen en elke dag koos hij er een uit om op te zetten.

O wat was hij trots op zijn ontelbare kronen. Hij werd de hele dag omringd door mensen die hem bedienden, maar toch voelde hij zich eenzaam en ongelukkig.

Hij wilde niet meer dat de bedienden hem moesten gehoorzamen, ze waren tenslotte allemaal mensen met hetzelfde bloed als hij.

Toen bedacht hij een plan om mensen blijer te maken.

Na een paar weken wist hij het. Hij ging het land in en gaf iedereen die hij tegenkwam een gouden kroon.

Hij zei: Zo, nu ben jij een koning of koningin van je jezelf. Jij mag alles bepalen wat belangrijk is in je leven.

Het is jóuw leven. Je mag ja of nee zeggen tegen alles wat jij belangrijk vindt en je mag alles bedenken wat je leuk, gek, avontuurlijk, fijn of mooi vindt.

Zo kwam hij ook bij Lucas terecht. Lucas was 8 jaar. Hij was normaal best verlegen en durfde nooit zo goed te zeggen wat hij van iets dacht, daarom zei hij altijd maar; ‘Ja, is goed’.

Toch voelde Lucas zich van binnen wel eens boos als hij ‘ja’ zei, maar eigenlijk ‘nee’ bedoelde.

Toen hij een kroon van de koning kreeg, veranderde hij. Hij werd ineens heel sterk van binnen.

Hij zei: Ik ben de koning van mezelf. Niemand is mijn baas, ik bepaal zelf hoe mijn leven eruit gaat zien.

Ik weet waar ik blij van word. Hij glunderde van opwinding en trots.

Duizenden ideeën borrelden in zijn hoofd. Wat was er veel mogelijk, waauw!

---

Denk je dat Lucas vanaf toen helemaal niets meer hoefde te doen, waar hij geen zin in had?

Nee, dat ook weer niet…. Soms moest Lucas wel naar zijn vader, moeder, of juffrouw van de klas luisteren.

Toch ging het wat anders.

Als zijn moeder zei: ‘Lucas, je moet gaan douchen’, dan zei Lucas nu niet meer meteen: ‘Ja, is goed’, maar: ‘Ik maak eerst mijn spel af en ik zal dan over een half uurtje gaan douchen.’

Of als zijn juf zei: ‘Sla je rekenboek open’, dan zeurde hij niet: ‘Daar heb ik geen zin in, rekenen is saai…’, maar: ‘Kunnen we samen het rekenen wat leuker of grappiger maken, juf?

De kinderen in deze klas hebben hiervoor vast leuke ideeën’.

---

’s Morgens mochten de kinderen in de klas allemaal hun kroon even opzetten en iedereen zei dan hardop:

'Ik ben de koning(in) van mezelf en ik weet waar ik blij van word'

De kinderen kregen steeds meer respect voor elkaar en de sfeer werd steeds beter.

Dat had die koning toch mooi bedacht, hè!